maandag 20 maart 2017

Column Trouw, 18 maart

De film

De film van het moment dat hij me het nieuws mededeelde, heeft zich nu al miljarden keren in mijn hoofd afgespeeld. Steeds opnieuw zie ik ons in de tuin zitten op die eerste, haast zwoele lenteavond, en hoor ik mezelf al die vragen stellen waarop hij glimlachend antwoordt: “Dat wil ik jou niet vertellen.”
Steeds opnieuw zie ik hem glimmen terwijl hij over haar praat.
“Maar wat doet ze dan?”
“Niet veel soeps.”
“Leuk.”
De blik in zijn ogen. Zijn hele houding. Ik herken alles in één oogopslag. En ben onmiddellijk terug in de tijd dat hij zo naar mij keek. Terug bij het moment dat wij elkaar voor het eerst zoenden. Dat zíj elkaar voor het eerst zoenden. Ik zie haarscherp voor me hoe hij naar haar kijkt. Zijn lachje.
Keer op keer ook hoor ik hem zeggen dat ze elkaar veel mailen en onherroepelijk zijn daar dan de vele brieven die wij elkaar stuurden. ‘Ik wil je vasthouden, omhelzen. Heel simpel. Heel leuk.’ De woorden nog vers in mijn geheugen.
Ik zie onze namen onder elkaar in zijn mailbox tevoorschijn komen, de mail waarop hij zit te wachten en: ‘Turnen hoe laat?’
Steeds opnieuw is daar ook weer het einde van de film, hoe ik hem het huis uit flikker.
We hebben elkaar sindsdien nog niet gezien.
De afgelopen dagen huilt de zesjarige elke nacht dat ze bang is. En dan ga ik bij haar in bed liggen. En ze wil steeds hetzelfde verhaaltje, over dat we op een wolk liggen en boven de stad drijven. En dan moet papa ook op de wolk. Zo liggen we met z’n vieren op de wolk. We tappen er moppen en we lachen. En ik voel hoe haar lijfje zich bij elk woord meer ontspant. Op het eind van het verhaaltje zetten we papa toch maar weer af bij zijn huis. We zwaaien: doei, doei! Tot de volgende keer!
“Wij blijven altijd je papa en mama, wij samen,” zeg ik.
“Ja, hè!” Een glimlach van oor tot oor. “Maar ik wil ook zo graag iets samen doen.”
“Wat dan?”
“Gewoon. Thuis. Eten?”
En dan beloof ik haar dat we dat doen. En dan komt er een nóg veel grotere glimlach. Ze valt in slaap. Met haar hand in de mijne.

En ik weet niet wat er gebeurd is, waardoor we nu niet eens samen kunnen eten. En dan begint de film weer.

zaterdag 18 maart 2017

Een strategie die niet werkt

Een vriendin zei: 'Je moet niet twee jaar blijven wachten tot het allemaal over is.'
Dus had ik op vrijdagavond een afspraak bij een tapasbar met een man die ik niet kende.
De tapasbar was vol. We gingen naar het café in de buurt. We zaten naast elkaar op barkrukken en dronken droge witte wijn. Zoute amandelen erbij.
De man gaf me een Lessons Learned boekje met de titel: Een strategie die werkt. Het ging over topmanagement. We praatten over politieke voorkeuren. Hij had VVD gestemd maar vertelde erbij dat hij werk deed dat eigenlijk heel links was. Een beroemde acteur kwam binnen en bleef middenin het café staan. Straalbezopen. Onder een spotlichtje.
Toen was er plek aan de tapasbar. We moesten daar schreeuwen om elkaar te kunnen verstaan. Het was niet ongemakkelijk, of onaangenaam, of wat dan ook. Maar het had exact het tegenovergestelde effect van wat ik beoogd had. Hoe verder de avond vorderde, hoe groter het missen.
De man vroeg: 'Als je ex nu voor je deur stond, wat dan?'
En toen ik door de regen terug naar huis fietste, was ik weer helemaal terug bij af. Ik zou zo rechtdoor naar het scheidingshuis gefietst zijn, om stilletjes naast ex in bed te kruipen.

donderdag 16 maart 2017

De dubbele laag

Mijn cursisten hadden een zondagmiddag uit hun jeugd beschreven. Vaak gaan die verhalen over verplicht kerk- of familiebezoek. In deze groep gingen ze bijna allemaal over de scheiding van hun ouders. Het moment voordat de ouders het nieuws vertelden, de komst van de nieuwe stiefvader, - ‘Franz maakte onze gordijnen open’ - de ouders die maar 500 meter bij elkaar vandaan woonden, alleen een kruispunt tussen hen in, - ‘wel een gróót kruispunt’, zei de cursiste snel - en het kind dat elke week na drie-en-een-halve dag de oversteek moest maken. Met een rolkoffer vol spullen. ‘Het was niet de bedoeling dat ik op de dagen van mijn vader ook bij mijn moeder kwam.’
De ouders die denken dat ze het prima geregeld hebben. Die elkaar een zoen geven ter begroeting. Het kind dat jaren later haarscherp een dialoog tijdens de ‘overdracht’ opschrijft. Nietszeggend. Vriendelijk = dodelijk.
De ouders die doen alsof het prima gaat.
De ouders die meer dan drie kwart niet in de gaten hebben van wat het kind meemaakt en begrijpt. Ze hebben werkelijk geen idee. Nee, ik ook niet.
De details die bij al deze mensen nog in het geheugen gegrift staan. Bijvoorbeeld: de manier waarop de moeder een schaal koekjes gevuld heeft. Overdreven veel. Overdreven gezellig. En dan wordt de boodschap verteld.
Ik luisterde naar de verhalen. De dubbele laag zat er vanzelf in. Daar had niemand deze keer moeite voor hoeven doen.

maandag 13 maart 2017

Column Trouw, 11 maart


Het goede verhaal

Voor ik de meisjes op ga halen bij opa en oma, pleur ik zijn kleren scheermesjes, aftershave, pak condooms, in drie Euroshoppers en zet ze klaar in de keuken met een briefje erop.
Dag ex, ik heb je spullen voor je ingepakt. Groet ex.
Als we thuiskomen, zijn de tassen weg en ligt er een briefje op tafel. Bedankt voor de verhuisservice.
Zo staan we ervoor.
Toen ik aan deze inval-columnreeks begon, dacht ik: binnen drie maanden is het ook vast goed gekomen. Dan zal de verdwenen liefde van man wel teruggekeerd zijn. Dat is gebeurd. Zijn liefde is teruggekeerd. Maar bij een ándere moeder met twee kinderen. Een kleine weeffout van de liefde.
Maar dít verhaal zou ik niet vertellen.
Ik wilde mijn uiteenvallende gezin weer ‘heel’ schrijven.
Helaas heb ik als schrijver geen enkele hand in de loop ervan. De greep die ik heb, is die van een drenkeling die een reddingsboei vasthoudt. En niet weet waarheen ze zal drijven.
De werkelijkheid laat zich niet beïnvloeden. Die trekt zich nergens iets van aan. Maar wat zou ik voor schrijver zijn als ik het niet eens zou proberen?
Misschien had ik toch dictator moeten worden.
Goed, ons gezamenlijke verhaal bestaat nu niet meer.
Ex weet zeker dat het leven met mij een verschrikking was, een kale akker, waaraan hij ternauwernood heeft weten te ontsnappen. Ik denk nu dat ik een kwart eeuw in het gezelschap van een pokerface verkeerde, iemand die ik meer vertrouwde dan mezelf.
Er bestaan alleen nog twee afzonderlijke verhalen die elkaar nergens kruisen. Ze plaatsen ons leven samen, achteraf gezien, in een heel ander licht.
Maar er is niet één kloppende werkelijkheid. Er is niet één waarheid. Het is wat je ervan maakt.
Wij maken er niks goeds meer van. Ons gezin is uit elkaar gevallen. We blijven over met de brokstukken.
De meisjes begrijpen al helemaal niet waar het gezamenlijke verhaal ineens gebleven is. Dat zullen wij toch écht een keer opnieuw voor ze moeten gaan creëren. Van voren af aan. Woordje voor woordje. Zin voor zin. Zo goed als mogelijk. Al betwijfel ik of iemand van ons er uiteindelijk gelukkiger van zal worden.

Goed, ik hoor net dat ik door mag gaan met deze column. Het verhaal hier is nog niet afgelopen. Misschien heb ik gewoon iets meer tijd nodig om te vertellen wat ik van plan was? Zeker weten doen we niets.

donderdag 9 maart 2017

Ons drie

We zaten in het Vondelpark op een schommel voor drie personen. Ik in het midden en links en rechts van mij een dochter. Het was heel erg zonnig. We hadden net koffie, cola, appelsap gedronken op een terras, en één stukje appeltaart met slagroom erbij. Dat was een hommage aan de afwezige misschien? De appeltaartjesmaniak.
Maar er was niet echt een afwezige, dat was het mooie. We waren op die zonnige ochtend voor het eerst gewoon compleet. Met ons drie.




maandag 6 maart 2017

Column Trouw, 4 maart

Spanningen

Met vier collega’s verbleef ik een lang weekend in een vakantiehuisje in de Ardennen en de onderlinge spanningen liepen per uur hoger op. Ik stond buiten te roken. De lucht was er inktzwart. Het was doodstil. Ik besefte dat man al wekenlang van mijn zijde verdwenen was. Helemaal weg. Waar iets van hem me vroeger altijd vergezelde, was ik nu echt alleen.
Mijlenver van huis leek ik, waar man en de meisjes lagen te slapen. Alleen ík hoefde me daar nu nog maar bij te voegen. Dan zou alles goed zijn.
Op zondagavond kwam ik thuis. Uitgeput. Het viel me op dat man zijn hagelwitte blouse iets te ver open had geknoopt. Lente is in de lucht, dacht ik. En: thuis zijn doet hem goed.
Het deed mij ook heel goed. We aten met z’n vieren. Ik ging in bad. We brachten de meisjes samen naar bed.
“Mama, wil jij aan papa vragen of hij vannacht bij ons blijft slapen,” fluisterde de zesjarige. “Alsjeblieft.”
“Waarom vraag je hem dat zelf niet?”
“Dat durf ik niet.”
“Je weet dat papa naar de boot gaat, hè.”
“Ja, maar ik wil het zo graag.”
Voor man terugging, kletsten we nog wat over de spanningen in de Ardennen. We rookten buiten een sigaretje. De lucht was hier zacht en een stuk lichter.
Hij zei: “Ik las in de krant dat ik het je moest zeggen als ik een ander had.”
“In de krant?” zei ik. “Was je dat gesprek vergeten dan?”
Hij glimlachte ongemakkelijk. En toen zei hij het.
“Hoe lang dan al?”
Hij schonk nog een wijntje voor ons beiden in en zei hoe lang.
“Zo lang al,” zei ik. En: “Ik hoop echt voor je dat je gelukkig wordt.”
“Dat vind ik fijn dat je dat zegt.”
“Ik vind het fijn dat je het mij toch verteld hebt.”
Hij vertelde nog iets over de andere vrouw. Ik stak de ene sigaret met de andere aan en zei dat hij ons vieren nu echt kapot had gemaakt.
“Zie je wel,” zei hij, “ik kan tegen jou ook níéts persoonlijks zeggen. Dan word je meteen boos.”
Hij pakte een sigaret uit het pakje.
“Je kunt nu geloof ik beter vertrekken.”
“Ja.”
“En snel.”
Mijn ex liep naar binnen, ging zitten en begon zijn glimmende schoenen rustig dicht te veteren. Ik liep op hem af. “Ik zou nu maar héél rap maken dat je wegkomt.”